Vuurmakers (XV)

Maak ons een burcht onder de grond, lief
behangen met bekertjes- of muisjesmos
en zacht gesponnen worteldraden
waar radioactieve zwijnen met koplampogen
door onze takken bedspijlen heen fluisteren
dat deze grond gedeeld mag worden
mits wij elkaar afpellen, genadeloos strippen
zoals je schors van bomen trekt
het schild van oliekevers klauwt
meisjesmaagden op hun buik draait

maar eerst lopen, ik voorop, met een hand onder mijn jurk
en een rond mijn hals
op felle klakhouten hakjes en in afgemeten stapjes

zo duw je mij, rammelende schikgodin
spinster van de woest in nekken ronkende
eeuwigheid, wit en naakt als tafellakendraad
hier naar deze offerstronk waar alle geelspuwende
smiespelmondjes van de wereld traag als hete hars
mijn oren inglijden en fluisteren over heren en hun genade


Johanna Geels | Uit: Vuurmakers (2015)

Het meisje van zijn dromen

Ik besta

wist ik dat maar, denkt de jongen
op weg naar school,
op weg naar huis,
op weg naar de ene omweg na de andere

zijn leven stippelt zich voor hem uit,
dit is de eerste stip, denkt hij -
hij is de tel nu al kwijt

ochtenden vallen hem aan
met hun snerpende licht,
middagen smoren hem, spinnen hem in,
avonden redden hem niet

en toch besta ik,
zegt het meisje
dat hij 's nachts in zijn dromen ziet.


Toon Tellegen 

je hebt me alleen gelaten...

je hebt me alleen gelaten
maar ik heb het je allang vergeven

want ik weet dat je nog ergens bent
vannacht nog, toen ik door de stad
dwaalde, zag ik je silhouet in het glas
van een badkamer

en gisteren hoorde ik je in het bos lachen
zie je, ik weet dat je er nog bent

laatst reed je me voorbij met vier
andere mensen in een oude auto
en ofschoon jij de enige was die
niet omkeek, wist ik toch dat jij
de enige was die mij herkende de enige die
zonder mij niet kan leven

en ik heb geglimlacht

ik was zeker dat je me niet verlaten zou
morgen misschien zul je terugkomen
of anders overmorgen of wie weet wel nooit

maar je kunt me niet verlaten

Hans Lodeizen | je hebt me alleen gelaten... | Verzamelde gedichten, Van Oorschot 1996

De merels

... mijn vader waarvan ik pas
ontdekt heb dat hij een merel was.
- Frank Koenegracht

Twee oude mannen praten wat,
het is vroeg in het jaar,
de eerste warme lentenacht.

Jij staat in je tuin in Leiden,
ik sta in mijn tuin in Bergen,
we praten door de telefoon.

Een zwaluw strijkt de hemel glad,
de merel zingt op het dak
van het huis waarin ik woon.

Ik zeg: Hoor je de merel?
Jij zegt: Hoor je de mijne?
We houden onze telefoons omhoog.

Zo staan we in de lentenacht,
de eerste van het jaar,
en onze merels zingen voor elkaar.

Sjoerd Kuyper | Merels | uit 'Het heelal van jouw hart' (2012)

Als men de geschiedenis in kon gaan om te vertellen dat ze zich aan mij moeten houden

Toen ik vijftien was, dronk ik met Oud en Nieuw voor het eerst
alcohol, waarna de wereld begon te draaien. De wereld draaide al,
maar dan in de vorm van tennisballen, tollen, het levenswegrad, de
ogen van mijn vader bij een sarcastische opmerking, misschien, en
dit was echter. Ik dacht dat ik eindelijk zou kunnen bellen zonder
rillingen, maar het gaf me geen vleugels, en het legde me ook niet
wekenlang plat.

Toen ik elf was, plakte ik plaatjes van mijn favoriete popsterren
over de kaft van mijn Winnie de Poeh-dagboek in de hoop dat de
inhoud hierdoor ernstiger, wereldser zou worden. Tekst bleek zich
niet zo makkelijk voor de gek te laten houden en in een poging
mijn verleden alsnog te redden, probeerde ik het boekje vervolgens
in brand te steken. Omdat ik lucifers eng vond, bracht ik het een
paar dagen later naar het oud papier.

Toen ik achtenzestig werd, schreef ik mijn eerste gedicht over
de liefde waarin ik het niet hoefde te vergelijken met dieren of
planten. Liefde bestond uit twee tevreden mensen, legde zich
vermoeid maar verzadigd neer in mijn buik, waarvan de navel stil
bleef liggen als een hagedis op een zonnige steen.

Toen ik vijf was, droomde ik dat het sneeuwde, terwijl niemand
me had verteld dat er een kans bestond dat er die nacht
daadwerkelijk sneeuw zou vallen. Het had de hele nacht kunnen
regenen. Ik werd wakker en de wereld was zo wit als mijn vijf jaar
oude huid. Dit was de eerste keer dat ik dacht dat ik de wereld kon
veranderen.


Lieke Marsman |
Als men de geschiedenis in kon gaan om te vertellen dat ze zich aan mij moeten houden | Uit 'Wat ik mijzelf graag voorhoud' (2011)

Weg

Niet altijd wijst de weg zichzelf. Er zijn er
die zich verliezen in steeds meer en steeds
minder doorzichtige stenige zijpaden, in omhoog
en omlaag zonder duidelijk doel, en nog altijd
is het een weg, met de sporen die daarop wijzen.
Misschien, denk je ergens, halverwege of waar
het ook mag zijn, als je in kalme angst meent
verdwaald te zijn en zelfs de weg terug nooit
meer te zullen vinden, misschien is er een oog
dat deze verwarde weg ziet als een rechte lijn,
als een pijl, die zonder omhaal afvliegt op
het doel. Vertrouw daarom de weg, altijd, want
hoe dan ook, hij komt aan, anders was hij er niet.
 

T. van Deel

Er lopen er wel meer op straat (naamloos)


Ik kijk zo graag.
Ik weet raad met wat ik zie.
Totdat er teruggekeken wordt.


Nee, je krijgt geen kopje thee
Nee, je kunt niet blijven
Nee, ik ga niet uitleggen waarom.
Ja, je kwam dat hele eind
Ja, dat was drie uur met de trein
Nee, je krijgt nog steeds geen thee.

Je hebt gelijk, ik ben te leuk
Ik heb liefde in mijn ogen
Daarmee kan ik kijken
Daarmee keek ik ook naar jou
Jij bent dat blijkbaar niet gewend
Ik zal het niet meer doen.

Nee, we gaan geen vrienden worden
Nee, we gaan elkaar niet af en toe wel zien
Ik geef je niet de tijd
en ook geen reden
Je kunt niet binnen komen
Nee, we gaan geen brieven schrijven.

Ja, je laatste trein is weg
Nee, je kunt niet blijven slapen
Nee, ook niet op het logeerbed.
Er lopen er wel meer op straat
Moet ik die dan ook maar binnenlaten?


Tjitske Jansen | Uit: 'Het moest maar eens gaan sneeuwen' (2003)